mango

Mango in je voortuin

Mijn moeder duikt geregeld mijn voortuin in. Wanneer ze op de thee komt of alleen maar de kinderen komt brengen, trekt ze op de terugweg altijd even wat onkruid uit de grond. Waar vroeger haar vragen nog doelden op of ik op tijd thuis zou zijn en of ik wel of niet mee at, vraagt ze nu of ik de appelboom wel genoeg water geef. Mijn moeder heeft groene vingers en vindt het heel ontspannend om in de tuin bezig te zijn. Die groene genen heeft ze helaas niet aan mij doorgegeven.

Ik vind het een hoop werk om mijn tuin bij te houden. En dan heb ik slechts een voortuin. In het dorp voel ik wel de maatschappelijke druk om een enigszins keurig tuintje te hebben. Voorheen stalde ik onze fietsen en de groenbak in de voortuin, nu staan er plantjes in allerlei kleuren en straalt er zelf een Japans boompje met een onuitspreekbare naam. Laten we wel wezen, het wordt niet benoemd, maar een huis met een verwilderde voortuin duidt op ‘tokkies-volk’.

In Oeganda was onze voortuin – een stuk gras met vier fruitbomen – de trots van mijn man. Wij hadden mango, jackfruit, passievrucht en guave te over. Ik hoefde maar aan de buurjongens te vragen om in onze bomen te klimmen en de hele wijk had hier profijt van. In het stukje grond naast onze poort groeide sugarcane (suikerriet). Dit kappen was een echte ‘mannenklus’ (net als het slachten van een dier) en werd onder luid gejuich van mijn kinderen gedaan.

In de rest van onze wijk was geen ruimte voor tuinen. In de dorpen wel, zoals bij mijn schoonmoeder. Zij heeft een groot grasveld voor de deur. Hartstikke handig als parkeerplaats, wasplek voor de kinderen of als droogplek voor het beddengoed. En voor de clan meetings (vergaderingen van afgevaardigden van ‘onze’ stam); die worden niet binnenshuis rondom een tafel gehouden. Wel in de verkoelende schaduw onder de mangoboom.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *